Flexmarkt column november 2022

Regelgeving voor uitzenden pas in 2025 – ‘dat duurt echt te lang’

Sinds de afschaffing van de uitzendvergunning in 1998 is er vooral aan de onderkant van de uitzendmarkt een enorme wildgroei ontstaan. De zelfregulering is mislukt en naarstig wordt gezocht naar regelgeving om malafide bureaus uit te bannen. Het kabinet heeft strengere regels aangekondigd en deze moeten in 2025 van kracht worden. “Ik pleit al jaren voor regelgeving, maar 2025 duurt toch echt te lang”, zo stelt Frank van Gool in zijn column voor Flexmarkt.

‘Als werkgever heb je grote verantwoordelijkheden, voor je medewerkers en voor je producten, om maar eens enkele herkenbare aspecten te noemen. Je zou kunnen veronderstellen dat het verantwoordelijkheidsgevoel bij werkgevers in de uitzendwereld dubbel zo groot zou moeten zijn. Want het product dat zij leveren bestaat immers uit … mensen. En deze mensen moeten juist gezien worden als het kapitaal van het bedrijf en niet slechts als een productiemiddel. In ons overgereguleerde land zou je denken dat de overheid juist het reilen en zeilen van de uitzendbranche daarom nauwgezet in de gaten houdt met regelgeving en controle. Maar niets is minder waar. Iedere idioot kan zonder slag of stoot een uitzendbureau beginnen en krankzinnig genoeg geruime tijd z’n gang gaan voordat er een haan naar zijn bedrijfsvoering gaat kraaien. De cijfers zijn ontluisterend. Volgens een recente schatting van de Arbeidsinspectie zou Nederland zo’n 2.500 malafide uitzendbureaus kennen. In een interview met NRC zegt directeur Rits de Boer dat het om een voorzichtige schatting gaat: “het kan ook het dubbele zijn”. En dat op een totaal van volgens het CBS bijna 17.000 uitzendbureaus.

Onvoldoende effectieve overheidscontroles waren in 1998 onder andere het argument om de uitzendvergunning af te schaffen. Zelfregulering van de markt zou veel beter werken. De resultaten zien we nu, het aantal uitzendbureaus is verviervoudigd en vooral aan de onderkant van de markt is een onbeheersbare wildgroei ontstaan met misstanden als onderbetaling, concurrentievervalsing en belastingontwijking. Het wrange is dat vaak vooral internationale medewerkers van deze praktijken de dupe zijn. Zij hebben huis en haard verlaten om in een hen onbekend land aan de slag te gaan en zijn dus vaak een makkelijke prooi voor slecht willende bureaus. In plaats van de fatsoenlijke behandeling die zij verdienen, krijgen hardwerkende internationale medewerkers in dat soort situaties juist vaak stank voor dank. En dat is onverteerbaar.

Natuurlijk ben ik blij met de aangekondigde certificeringsplicht, de VOG, met de waarborgsom van een ton en de eis van gecertificeerde huisvesting. Maar ik maak mij nu al zorgen over de handhaafbaarheid van de nieuwe regels. Maar het meest zorgen maak ik mij over de invoeringsdatum van 2025. Dat duurt echt te lang.

In de tussentijd kunnen onze malafide branchegenoten vrijwel onbekommerd hun gang gaan en intussen gaan er stemmen op om arbeidsmigratie als zodanig in te perken om zo de problemen te verminderen. Zo pleit Rits de Boer van de Arbeidsinspectie voor inperking omdat ‘we tegen onze grenzen aanlopen’. Als de regels ontbreken en de handhaving tekort schiet, dan moeten er dus maar minder internationale medewerkers komen. Zo maak je deze groep weer de dupe. Eerst vallen ze ten prooi aan malafide bureaus en dan wordt de deur voor hun neus dichtgegooid. Ik vind dat de omgekeerde wereld.’